Schuttevaer

Zoet, Zout & Zakelijk
Schuttevaer Premium

De vergeten kaaisjouwers

NIjmegen

De Lange van Benthem, Rooie Jan, de Kluut, Sneetje, de Scheve Schoen, Dolle Graot, de Gaode, de Gekke van Megen en de Kiep, met dat ene been. Het zijn allemaal namen van Nijmeegse kaaisjouwers, de mannen die de lading op de Nijmeegse Waalkade uit de schepen laadden en losten. Ze brachten Nijmegen welvaart, maar werden door de rest van de stad met de nek aangekeken. De Nijmeegse verhalenschrijver Frank Antonie van Alphen dook in hun verhaal.

1 / 1
Een vermoedelijk eind 19de eeuw gemaakte foto van een kaaisjouwer. (Fotocollectie Frank Antonie van Alphen)

Een vermoedelijk eind 19de eeuw gemaakte foto van een kaaisjouwer. (Fotocollectie Frank Antonie van Alphen)

  • ‘Deze mannen brachten Nijmegen welvaart’
  • ‘Allerarmsten woonden in de benedenstad’
  • ‘Zakkendragers tilden 80 kilo’

Door Erik van Huizen
De van oorsprong Rotterdamse Van Alphen is schipperszoon. Voordat hij zich in Nijmegen vestigde voer hij als matroos op een koppelverband, met petcokes naar Dillingen. Zijn opa Anton, schipper op de Kempenaar Dependant, vertelde hem over de kaaisjouwers van Nijmegen. Hij had nog met ze te maken gehad. Van Alphen kwam er al snel achter dat het verhaal over de Nijmeegse kaaisjouwers nog nooit was belicht. Hij meende dat deze hardwerkende mannen meer waardering verdienden en ging naar ze op zoek.
Hij vond uiteindelijk nog veel verhalen en anekdotes over dit ruige volkje. ‘In het regionaal archief in Nijmegen was weinig te vinden over de kaaisjouwers. Alleen een paar pagina’s met gortdroge feiten. Ik moest het dus hebben van de nazaten van de kaaisjouwers. Ik heb onder meer iemand van 90 geïnterviewd met een zwaar haperend geheugen.’
Dat Van Alphen net op tijd was met het optekenen van de verhalen, blijkt nu een aantal mensen die hun verhaal hebben gedaan inmiddels is overleden.

Allerarmsten
In het oudste café van Nijmegen ‘In de Blaauwe Hand’, aan de rand van de benedenstad, doet Van Alphen zijn verhaal over de 20 tot 30 zakkendragers die in het interbellum, de tijd tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, de schepen aan de Waalkade laadden en losten. ‘Tot de komst van de Waalbrug in 1936 ging alle vervoer naar Nijmegen over de rivier. De schepen legden aan langs de Waalkade en de lading moest vervolgens naar de stad worden gebracht. Dat gebeurde door de mannen uit de benedenstad, of de onderstad zoals het toen ook werd genoemd. Het was het armste deel van de stad en iemand uit de bovenstad kwam daar echt niet. Het was de plek van de allerarmsten. Ze spraken zelfs een ander dialect dan in de rest van de stad. In deze Nijmeegse achterafstraatjes huisden de nietsnutten, de verarmde welgestelden en de noeste arbeiders, de hoeren, muzikanten en spiritusdrinkers. En dus ook de sjouwers. Er heerste schrijnende armoede. Er was geen elektriciteit en men sliep soms boven de paardenstal. En waar armoede is wordt alcohol gedronken. In Schiedam, waar de jenever per schip vandaan kwam, vroegen ze zich wel eens af of ze er in Nijmegen de stoep mee schrobden.
‘In het centrum deden ze naar tegen deze mensen. Ze werden als zigeuners beschouwd. Ik hoorde het verhaal van een benedenstadter die een keer aan het vissen was gegaan in een vijver in de bovenstad. Dat mocht niet van de politie. Hij werd aan zijn oren de benedenstad ingetrokken.’

Slokje
Dat het leven van de kaaisjouwer zwaar was, blijkt wel uit het feit dat ze niet ouder werden dan een jaar of 50, 60. ‘Ik dacht eerst nog dat het een broodje aap-verhaal was, maar de kaaisjouwers sjouwden echt met zakken van 50 tot 80 kilo. En dan ging het er niet alleen maar om de lading op de kade te brengen. Soms wilde de ladingeigenaar geen paarden met een span huren om de lading naar de bovenstad te brengen en moesten de mannen die op hun rug naar het pakhuis brengen. Dat was toch minstens een half uur sjouwen met tientallen kilo’s.’
Het lossen van schepen werd gedaan in twee ploegen. De ene ploeg loste in de Nieuwe Haven, de huidige Waalhaven, de andere op de kades. Mocht een ploeg teveel werk hebben, dan werd de andere ploeg gevraagd bij te springen. Mocht ook dat niet lukken, dan werden familieleden of kennissen ingeschakeld. Het lossen gebeurde in toerbeurten. Zodra er twee ton was gelost, werd er even gepauzeerd.
Het ergste werk voor de kaaisjouwers was het lossen van schepen met cement of slakkenmeel. Deze stoffige lading veroorzaakte pijnlijke oogleden en het stof koekte door het zweet vast op de huid.

Stoere vaders
Volgens de overlevering liepen de kaaisjouwers tijdens het werk regelmatig naar de kroeg. Hoe harder ze werkten, hoe meer ze dronken en hoe minder ze aten. De kaaisjouwers hielden zich ermee op de been. Toch waren het ook vaders, die voor hun gezin moesten zorgen. En was er geen schip te lossen, dan werd er helemaal niets verdiend. Het enige wat dan overbleef was stempelen voor de steun of naar de werkverschaffing.  
Tegen een uur of negen ‘s avonds brachten de vrouwen van de sjouwers eten naar de mannen, broodjes en worst. Heet water voor de koffie werd gehaald bij de water- en vuurheks. Na het eten ging het werk nog door. Vaak kwamen ze pas laat in de avond thuis, waar hun vrouwen met vetkaarsjes of groene zeep hun stukgedragen ruggen en bovenbenen verzorgden. Een flinke borrel moest ervoor zorgen dat nog niet werd gedacht aan de dag van morgen.

Ongeluk
Het werk was ook gevaarlijk. Regelmatig vielen er doden. Zo werd bij het lossen van betonijzer een kraan ingezet. De mannen lieten zich staand op een bos ijzer uit het ruim halen door de kraan. Van Alphen hoorde een anekdote over een man die op die manier van 15 meter hoogte doodviel in het scheepsruim. Kaaisjouwer Biekert kreeg opdracht dat aan de vrouw van het slachtoffer te gaan vertellen. Volgens de overlevering ging hij onderaan de trap van het huis staan en riep: ‘Die kerel van je vroeg wat geld, want hij heeft zin in een borrel.’
‘Zeg maar dat hij dood kan vallen’, was het antwoord van de vrouw.
‘Hoeft ie niet te doen, dat heeft ie al gedaan’, antwoordde Biekert.
Mocht humor ook niet meer troosten, dan werd er feest gevierd. Dat gebeurde soms in het ruim van een binnenvaartschip. Er werden kratjes drank binnengesleept en de kaaisjouwers trokken hun beste pak aan.
Het werk van de kaaisjouwers verdween na de Tweede Wereldoorlog, toen hijskranen hun het werk uit handen namen.

Standbeeld voor kaaisjouwers

NIJMEGEN Als blijk van waardering voor wat de kaaisjouwers hebben betekend, is het plan ontstaan voor een standbeeld op de Waalkade in Nijmegen.

Beeldend kunstenaar Margriet Hovens heeft een aluminium sculptuur gemaakt van een kaaisjouwer. Maar er is geld nodig om het drie meter hoge beeld te realiseren. Het standbeeld moet bij De Bastei komen te staan. ‘Een beeld dat bijdraagt aan de rehabilitatie van het zwaarste beroep’, meent het comité van aanbeveling en de medefinanciers Irene van Dongen en Wilie Verberck. ‘Voor realisatie is 95.000 euro nodig. Wij denken dit bedrag met 30 bedrijven bijeen te kunnen brengen. Wilt u ook een bijdrage leveren? Wij maken graag met u een afspraak om met ons levenslang ambassadeur te worden van dit krachtige en bijzondere symbool.' Mail voor meer informatie naar nijmeegsekaaisjouwer@gmail.com.

Reacties

Om te reageren op dit bericht moet u ingelogd zijn. Klik hier om in te loggen. Indien u nog geen account heeft kunt u zich hier registreren om te kunnen reageren op Schuttevaer.nl. Uw reacties worden altijd ondertekend met uw volledige persoonsnaam.

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.

Lees ook

Nieuwe vacatures meer (0)... RSS

LinksRechts