Schuttevaer

Zoet, Zout & Zakelijk
Schuttevaer Premium

Vangsttechnieken in ontwikkeling

Den Haag

De Nederlandse Noordzeevisserij is in economische termen een kleine sector, maar wel uitermate effectief en innovatief als het gaat om visvangst en duurzaamheid. Nederland heeft ook niet de grootste vissersvloot van Europa, maar wel één van de modernste en meest efficiënte. De ontwikkelingen staan niet stil en leiden tot nieuwe innovaties die toepasbaar zijn in verschillende typen visserijen.

1 / 4
Garnalen worden voornamelijk met de boomkor gevangen, met aan elke kant van het schip een net dat wordt voortgesleept. (Foto Bram Pronk)

Garnalen worden voornamelijk met de boomkor gevangen, met aan elke kant van het schip een net dat wordt voortgesleept. (Foto Bram Pronk)

  • Nederlandse Noordzeevisserij behoort tot efficiëntste ter wereld

  • Vissersvloot telt zo'n 930 schepen

  • Platvisvisserij neemt massale vormen aan

  • Brandstofverbruik daalt spectaculair

  • Sleepnetvisserij op lage snelheid

  • Deens-Schotse visserijmethode met zegentouwen

  • Garnalenvangst met klossenpezen

  • Pelagische visserij exploiteert grote vriestrawlers   

Door Bram Pronk
In de Gids van Vissersvaartuigen, uitgegeven door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stonden per 1 september 2018 bijna 930 vissersschepen ingeschreven. Schepen met een lengte van enkele meters tot bijna 145 meter voor het grootste vissersschip. Variërend in motorvermogen van enkele pk's voor een sloep tot 19.584 pk voor een vriestrawler uit Katwijk. Niet alle geregistreerde vissersschepen nemen actief deel aan de visserij. Sommige maar een bepaalde periode van het jaar. Vaak hobbymatig, zoals kleine staandwantvissers, die in het voorjaar en in de zomer hun netten schieten vlak onder de kust. Een groot aantal (kleine) schepen is inactief, maar staat desondanks geregistreerd. Weer anderen hebben een visserijregistratie omdat zij levende vis of schelpdieren vervoeren, zoals handkokkelaars, die zelf op het Wad vissen en hun vangst opslaan aan boord van hun drooggevallen schip. Daarnaast omvat het register onder meer boomkorkotters, pulskotters, twinriggers, flyshooters, garnalenkotters, mosselkotters, bijboten van mosselkotters, oestervaartuigen, IJsselmeerkotters, binnenvissers en handlijnvissers, die met snelle motorboten naar de visgronden varen, vaak ver uit de kust, om met de hengel beroepsmatig op zeebaars te vissen. Van deze laatste categorie, schepen met een lengte tot ongeveer 11 meter, is een groot aantal in handen van Belgische eigenaren.

  • Het succes van de boomkor

De kottersector is het grootste segment binnen de Nederlandse vissersvloot. Deze omvat circa 290 schepen.  Al 60 jaar beoefenen vissers de boomkorvisserij op platvis. De eerste generatie boomkorkotters bestond uit schepen die tot dan vooral met de borden op platvis en/of rondvis visten, met één net. Op die schepen werd later veelal een boomkortuig geplaatst, een portaalmast met aan weerszijde een giek, vaak midscheeps op het dek om de stabiliteit te borgen. Hierdoor kon met twee netten, bevestigd aan een stalen boom, verzwaard met kettingen, aan weerszijde van het schip worden gevist. Een visserijmethode die uitermate succesvol bleek te zijn. Steeds meer vissers stapten dan ook over op de boomkorvisserij. Zelfs mensen uit branchevreemde beroepen investeerden in een schip die deze visserijmethode kon beoefenen. Van energiecrises, visserijbeperkende maatregelen en quotering had toen nog nooit iemand gehoord.

Gevaarlijk
Er deden zich in de begintijd van de boomkorvisserij relatief veel ongelukken voor, vanwege onvoldoende stabiliteit van het schip, maar ook door de onervarenheid van schippers en bemanningen met deze techniek. Kotters trokken zich met regelmaat om en zonken. Meerdere vissers lieten daarbij het leven.

Al snel bleek dat met het opvoeren van het motorvermogen de vangst sterk toenam. Zwaardere motoren werden besteld en in bestaande schepen geplaatst, wat de stabiliteit ook niet altijd ten goede kwam. De eisen van de toenmalige Scheepvaartinspectie werden dan ook allengs strenger. Kotters moesten worden verlengd voordat een certificaat van deugdelijkheid werd afgegeven.

Steeds sterker
Vanaf eind jaren ‘60 werden kotters gebouwd die specifiek waren ontworpen voor de boomkorvisserij. Die werden al groter en sterker. Werd begin jaren ‘70 een 34-meterkotter met een vermogen van 1200 pk een grote sterke kotter genoemd, al gauw liepen kotters van stapel met vermogens van 1500 tot ver boven de 2000 pk. De boomkorvisserij was zo succesvol dat steeds grotere schepen in de vaart kwamen. Kotters met een lengte van bijna 46 meter en een vermogen van 4500 pk waren eerder regel dan uitzondering. Bijna wekelijks was er in die tijd wel een overdracht van een nieuwe grote boomkorkotter. Er waren schipper-eigenaren die tijdens de officiële overdracht al meteen een nieuwe bestelden bij dezelfde scheepswerf, omdat de levertijd van nieuwe kotters flink was opgelopen.

Veel bedrijven legden zich toe op de bouw van casco's of complete kotters, of waren hoofdaannemer van een nieuwbouwschip: Maaskant, Padmos, Visser, Hakvoort, Van Goor, Van den Beldt, Vooruit, Veldthuis, Hoekman, Metz, Haak, Scheepswerf Hoogezand, De Dageraad, Boot Lemmer, Bodewes, om er maar enkele te noemen. Ze zijn, maar vooral waren, begrippen in de kottersector.

De overheid begon in te zien dat deze schaalvergroting niet eindeloos kon doorgaan. Overbevissing begon een probleem te worden. Er werd afgekondigd dat er geen nieuwe kotters meer in de vaart mochten komen met een vermogen van meer dan 2000 pk. Zwaardere motoren in bestaande kotters moesten worden teruggesteld naar het nieuwe maximale aantal pk's.

Winst verdampt
De brandstofkosten maken bij een boomkorkotter traditioneel het grootste deel uit van de exploitatielasten. In tijden van slechte vangsten, lage visprijzen en hoge olieprijzen verdampt de winst al snel. In het eerste decennium van deze eeuw was de sector er om die redenen veel aan gelegen de kosten te drukken. Alternatieve visserijtechnieken werden ontwikkeld en toegepast. Netten en andere visgerei werden zodanig ontworpen dat zij minder weerstand ondervonden op de zeebodem. De introductie van de sumwing en de pulstechniek waren op dat gebied het meest veelbelovend. Hierdoor kon het energieverbruik van platviskotters sterk worden verminderd. Maar ook twinriggen en flyshooten zijn relatief zuinige visserijmethoden.  

  • Revolutionair zweeftuig

Eén van de eerste baanbrekende innovaties was de introductie van de sumwing, afkomstig uit de vliegtuigindustrie. De boom, die het net openhoudt, wordt hierbij vervangen door de sumwing, die de vorm heeft van een vliegtuigvleugel.

Met de sumwing zweeft het vistuig in feite over de bodem in plaats van dat het er doorheen ploegt. Dit betekent minder bodemcontact en minder weerstand. Het leverde al snel een brandstofbesparing op van 15%.

Met hulp van de overheid werd tevens geïnvesteerd in de ontwikkeling van de pulsvisserij. De pulskor is een vistuig dat met elektrische prikkels, stroomstootjes van maximaal 15 Volt, die platvis uit de bodem doen opschrikken, waardoor die in het net zwemt. Dit leidt eveneens tot minder bodemberoering en een aanzienlijke brandstofbesparing. Praktijkproeven met een pulskortuig op een grote Urker boomkorkotter bewezen dat. In 2009 werden de eerste vijf boomkorkotters met zo'n pulskortuig uitgerust. In 2010 werd ook de sumwing geschikt gemaakt voor de pulstechniek.

Ontheffingen
De visserij met pulstechniek leverde een brandstofbesparing op tot 50% vergeleken met de traditionele boomkorvisserij. Ook de CO2-emissie daalde hierdoor eveneens met 50%, net als de bodemberoering. Het aantal discards (onbedoelde bijvangst) nam af met 30%.

Hoewel vissen met elektriciteit is verboden, kregen de Nederlandse vissers hiervoor ontheffing van de Europese Unie. Onder voorwaarde dat (wetenschappelijk) werd onderzocht wat het effect ervan is op de gevangen vis, de bodemgesteldheid en ander leven op de zeebodem. In eerste instantie was het aantal ontheffingen beperkt, maar dat werden er allengs meer tot het huidige aantal van 84. Dit betekent dat nu het grootste deel van de platvisvloot is uitgerust voor deze innovatieve visserijmethode.

Onder vuur
Ook het Verenigd Koninkrijk en Duitsland kregen ontheffingen om een aantal kotters in te richten voor de pulstechniek. Vooral Nederlandse eigenaren van vlagschepen maakten hiervan gebruik. De Nederlanders kregen het eerst door hoe succesvol de nieuwe techniek was en stapten massaal over. Een investering van 400.000 tot 500.000 euro voor een schip van 40 meter en circa 250.000 euro voor een Eurokotter van 24 meter. Forse bedragen, maar die konden snel worden terugverdiend.

Intussen ligt de pulsvisserij echter zwaar onder vuur en dreigen de ontheffingen te worden ingetrokken. Er is een Europese lobby op gang gekomen van met name Franse vissers en enkele milieuorganisaties, die aanvoeren dat vissen met de pulstechniek dodelijk is voor alle leven rondom het vistuig. Bewijzen hiervoor ontbreken. Een verbod zou rampzalig zijn voor de eigenaren van platviskotters. De pulstechniek is zeer geschikt gebleken voor de visserij op tong. Nederland bezit ongeveer 80% van het tongquotum op de Noordzee. Binnenkort krijgt de sector uitsluitsel of Brussel de pulsvisserij alsnog verbiedt.  

  • Twinrigger levert kwaliteit

Een andere innovatieve visserijtechniek is het zogenoemde twinriggen. Een twinrigtuig wordt met lage snelheid achter het schip gesleept. Het bestaat uit drie kabels die vanaf de achtersteven van het schip naar twee naast elkaar gekoppelde sleepnetten lopen. De bevestigingspunten van kabels met deze netten raken de zeebodem. De daardoor ontstane trillingen en zandwervelingen zorgen ervoor dat  de vis loskomt van de bodem en de netten inzwemmen.

Langoustines en schol
Twinriggen is een lichte vorm van sleepnetvisserij met relatief weinig bodemberoering. Door de lage sleepsnelheid levert deze vangstmethode bovendien een goede kwaliteit vis op en blijven ongewenste bijvangsten tot een minimum beperkt.

De twinrigvisserij richt zich met name op schol en langoustine. Voor beide soorten loopt het visserijseizoen van april tot en met oktober. Daarna worden de weersomstandigheden doorgaans te slecht om goed te kunnen twinriggen.

Voor twinriggen op schol zijn de Doggersbank en de noordelijke Noordzee belangrijke visgronden. Langoustines worden vooral in andere delen van de Noordzee gevangen, zoals de Botney- en Fladengronden. Bij twinriggen is relatief weinig motorvermogen nodig, dankzij de lage weerstand van de netten en lagere vissnelheid. Dit levert een brandstofbesparing op van circa 50% en er is sprake van 10% minder bodemberoering en 10% minder discards.

Nettenrol
Een aantal kotters schakelt in het voorjaar over van de puls- naar de twinrigvisserij op schol om in oktober weer terug te keren naar de pulsvisserij op tong. Een kotter moet overigens wel technisch zijn uitgerust en geschikt zijn om te kunnen twinriggen. Er is onder meer een grote nettenrol achterop het schip voor nodig. Er wordt vooral getwinrigged om het scholquotum te benutten en het tongquotum te ontlasten. Wanneer de vraag naar schol groot is, is het vooral aantrekkelijk om te twinriggen. Als het quotum tenminste toereikend is.

  • Flyshooters in opkomst

De flyshoot-visserijmethode is sinds 2005 in Nederland sterk in opkomst. Momenteel zijn er circa 20 schepen onder Nederlandse vlag die deze methode beoefenen en de vloot flyshooters breidt langzaam maar gestaag uit. Sommige vissers hebben hun visserijbedrijf uitgebreid met een flyshooter.

Multifunctionele schepen
Anderen hebben de boomkorvisserij verlaten en zijn volledig overgestapt op flyshooters. Het zijn veelal multifunctionele schepen, die vaak ook zijn uitgerust om te kunnen twinriggen. In het begin werden vooral tweedehands schepen in het buitenland aangekocht, die meestal op Nederlandse scheepswerven werden omgebouwd tot moderne flyshooters. Vandaag de dag laat men vaker nieuwe schepen bouwen, bijvoorbeeld in Spanje, waar een aantal schepen op stapel staat voor Nederlandse reders. Maar ook Nederlandse scheepswerven blazen inmiddels een toontje mee. Ook hier worden nu flyshooters gebouwd, veelal naar Deens ontwerp.

De flyshoottechniek komt uit Denemarken en Schotland. De Deense vissers noemen het snurrevaed. De Schotten verbeterden die techniek en noemen het flyshooting.

Techniek
De flyshoot-techniek kenmerkt zich door een laag brandstofverbruik, minder milieubelastende emissies, vrijwel geen verstoring van het bodemleven en nauwelijks ondermaatse vis en andere ongewenste bijvangsten. Een flyshooter vist achter het schip met lijnen, ofwel zegentouwen, met daaraan een net. De visser schiet het eerste zegentouw weg, waaraan een boei is bevestigd. Het schip stoomt met een omtrekkende beweging weg van de boei en tegelijkertijd wordt het eerste zegentouw gevierd. Wanneer het eerste zegentouw vanaf de nettenrol helemaal is uitgevierd, wordt het uiteinde vastgemaakt aan een kant van het net. Het schip stoomt verder en het net slaat open in het water. Wanneer het net strak staat, wordt het tweede zegentouw vastgemaakt aan de andere kant van het net. Het schip laat, terwijl het opstoomt naar de boei, het tweede zegentouw vieren. Wanneer het schip bij de boei komt, wordt het zegentouw dat aan de boei zit binnengehaald en worden de zegentouwen, met daaraan het net, door middel van haspels langzaam naar het schip getrokken. De zegentouwen rollen over de bodem en veroorzaken lichte stofwolken die de vissen doen opschrikken en voor de touwen doen uitzwemmen. De sterke en grote vissen blijven voor de zegentouwen uitzwemmen en worden bij nadering van het schip en het halen samengedreven naar de netopening. De kleine, ondermaatse vis ontsnapt.

De flyshoot-visserij gaat het beste in vlakke, zanderige zeegebieden zonder obstakels, die vooral in Het Kanaal en in bepaalde delen van de Noordzee voorkomen. Deze vistechniek is alleen effectief bij voldoende daglicht, want alleen dan kunnen de vissen de zegentouwen zien. In de nachtelijke uren wordt er dan ook niet gevist.

Vissoorten
Flyshooters vissen tijdens het voorjaar en in de zomer op de Noordzee.
In het najaar en in de winter trekken de flyshooters naar de warmere wateren in Het Kanaal. Mul, rode poon, inktvis en makreel en wijting zijn belangrijke doelsoorten. De gevangen vis wordt bij voorkeur meerdere keren per week aangeland. Als de schepen in Het Kanaal vertoeven is de Franse haven Boulogne-sur-Mer meestal de aanlandhaven en gaat de vis per vrachtwagen naar de visafslagen van Scheveningen, IJmuiden en Urk. Tijdens het voorjaar en in de zomer stomen de schepen in de avonduren meestal zelf naar de visafslag in de thuishavens. Groot- en kleinhandelaren zijn de afnemers van de vis op de visafslag. In het buitenland is grote vraag naar door flyshooters gevangen inktvis en mul. De vis is bijna altijd van uitmuntende kwaliteit, vooral omdat er nauwelijks grondvuil wordt meegevangen die beschadigingen aan de vis kan veroorzaken. Ook komt de vis pas in het net terecht vlak voordat het aan boord wordt getrokken. De vangst wordt aan boord opgeslagen in viskisten met een capaciteit van 20 kilo en gekoeld met slurry-ijs (vloeibaar ijs aan boord gemaakt van zeewater). Dat garandeert een uitstekende kwaliteit van alle vissoorten. Maar ook de meerdere aanlandingen per week dragen bij aan een goede kwaliteit. De vis komt op die manier bijna direct vanuit zee op het bord van de consument.

Vorig jaar vingen flyshooters op deze wijze 3,5 miljoen kilo rode poon, 1 miljoen kilo mul, 1,6 miljoen kilo inktvis en 1,2 miljoen kilo makreel.

  • Vissen in ondiep water

De garnaal komt voor langs de kusten van heel West-Europa, maar de grootste concentraties worden aangetroffen in het relatief ondiepe water van de Nederlandse kust, de Waddenzee en langs de kusten van Duitsland en Denemarken. Het is dan ook niet vreemd dat genoemde landen een grote vloot garnalenkotters hebben.

Goede jaren voor garnalenvissers
De garnaal voelt zich thuis in warm water. In de zomer bevindt het schaaldiertje zich dicht onder de kust en trekt in de winter verder de zee in, waar het zeewater nog niet teveel is afgekoeld. Het leefgebied van de garnaal hangt dan ook sterk af van de zeewatertemperatuur. Overdag heeft de garnaal zich ingegraven in de zanderige zeebodem om tevoorschijn te komen als het donker wordt en op zoek te gaan naar voedsel. De visserij op garnalen is één van de laatste grote Europese visserijen waarvoor geen door overheden ingesteld vangstquotum geldt.

De vloot

De garnalenvloot van Duitsland, Denemarken en Nederland omvat ongeveer 450 kotters. Deze schepen vangen jaarlijks circa 30.000 ton garnalen, ruim 95% van de totale garnalenvangst in de Noordzee. De vangst kan van jaar tot jaar sterk wisselen, evenals de prijzen, die pieken en dalen kent. De Nederlandse garnalenvloot bestaat uit ongeveer 225 kotters. Hiervan beoefenen zo'n 60 schepen permanent de garnalenvisserij. De overige schepen vissen bepaalde delen van het jaar ook op tong, schol en kreeftjes.

Den Oever heeft de grootste vloot garnalenkotters. Die telt momenteel ruim 40 schepen met het letterteken WR op de boeg. In de vlootregisters van Zoutkamp en Urk staan ongeveer 25 garnalenkotters ingeschreven. Vooral de garnalenvloot van Urk is de laatste jaren sterk uitgebreid. Door de crisis in de boomkorvisserij hebben veel Noordzeevissers hun kotter gesaneerd en daarna geïnvesteerd in een garnalenkotter. Ook starters roeren zich in dit vlootsegment. Investeren in een grote Noordzeekotter met licentie en quotum is voor hen momenteel nauwelijks een optie.

Goede jaren
Relatief veel garnalenvissers wonen in Noord-Nederland en vissen veelal op de Waddenzee, waarvoor een speciale vergunning nodig is. Ook voor de garnalenvisserij op de Noordzee is overigens een vergunning vereist. Bekende garnalencentra zijn Zoutkamp, Paesens, Moddergat, Dokkum, Wierum en Anjum. Vorig jaar voerden Nederlandse garnalenkotters 14 miljoen kilo garnalen aan, een kwart minder dan het jaar ervoor. De aanvoerprijs was met gemiddeld 7,45 euro per kilo zeer hoog. De laatste jaren maken de garnalenvissers economisch gezien goede jaren door. De vangsten en de prijzen zijn goed. Dit nodigt vissers uit flink te investeren in modernisering. Dat was enkele jaren geleden wel anders. Toen was het crisis en moest menig garnalenvisser zijn bedrijf opgeven.

Techniek
Garnalen worden voornamelijk met de boomkor gevangen, met aan elke kant van het schip een net dat wordt voortgesleept. Alleen zijn de tuigen aanzienlijk lichter in gewicht dan in de platvisvangst. Bovendien zijn de garnalentuigen niet voorzien van wekkerkettingen, maar van klossenpezen die over de bodem rollen. Die schrikken de garnalen op, waardoor die in het net belanden. Ook heeft de pulsvisserij zijn intrede gedaan in de garnalenvisserij.

Als de kuil van het net aan dek komt, wordt die geleegd waarna de garnalen worden gewassen, gekookt en gekoeld. In de visafslag worden de garnalen gekeurd, gezeefd en gewogen en verkocht. Dit gebeurt via de afslagklok. Ook wordt rechtstreeks aan de handel geleverd, op contract.

Daarna moet de garnaal nog worden gepeld, of opgeslagen in het vrieshuis als de aanvoer massaal is en de vraag naar garnalen klein. Het merendeel van de garnalen wordt handmatig gepeld. Dat gebeurt niet in Nederland, maar in zogenoemde pel-ateliers in Marokko, opgezet door Nederlandse handelaren. Vrachtwagens beladen met garnalen rijden bijna dagelijks naar Marokko, waar de arbeidskosten laag zijn. Garnalen worden daar onder hygiënische condities gepeld door honderden vrouwen. Na het pellen gaan de garnalen terug naar Nederland, waar zij worden verpakt en uitgeleverd aan de supermarkten en de horeca.

De laatste jaren is flink geïnvesteerd in pelmachines, die onder andere staan opgesteld in bedrijven in Lauwersoog en IJmuiden. Maar vooralsnog gaat het gros van de ongepelde garnalen nog steeds naar het buitenland.

MSC
Vorig jaar december kreeg de Duitse, Deense en Nederlandse garnalensector het MSC-keurmerk uitgereikt, de erkenning voor een duurzame garnalenvisserij. Om het felbegeerde keurmerk te bemachtigen zijn vissers zelf beperkende maatregelen overeengekomen. De Universiteit van Hamburg en de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) werden ingeschakeld voor de ontwikkeling van een beheerplan en een Productie- en Afzetplan (PAP), waarin de garnalenvangsten nauwkeurig worden geregistreerd. Ook natuurorganisaties als het Wereld Natuur Fonds, Stichting De Noordzee, de Waddenvereniging,  Natuurmonumenten, visserijorganisaties, de garnalenhandel, Wageningen Marine Research en het ministerie van LNV waren intensief betrokken bij het MSC-certificeringsproces. Om MSC-certificering te behalen en te behouden vist de garnalenvloot nu met netten met een grotere maaswijdte, gebruikt ze een extra zeefnet, maken de vissers minder visuren en registreren ze de bijvangst.

  • Trawlnet voor hele waterkolom

Pelagische vissoorten als haring, makreel, horsmakreel, blauwe wijting en sardien zwemmen in scholen in de hele waterkolom. Het zijn belangrijke vissoorten voor de zogenoemde pelagische visserij. Ze worden met grote efficiënte vriestrawlers gevangen. Pelagische vissoorten leggen grote afstanden af. De migrerende scholen worden gelokaliseerd met geavanceerde opsporingsapparatuur. Het trawlnet wordt achter het schip getrokken, dicht onder het wateroppervlak of dieper in de waterkolom.

Wereldwijd actief
Het net raakt de bodem niet. Voor een meer duurzame visserij worden de enorme netten van de trawlers steeds verder ontwikkeld, netten met een mindere weerstand om brandstof te besparen en voorzien van panelen met grotere mazen in het voorste deel van het net om bijvangst van ongewenste vissoorten en ondermaatse vis te voorkomen.

Hektrawlers
Pelagische vis wordt met zogenoemde hektrawlers gevangen, een type vissersschip dat in 1961 zijn intrede deed in de Nederlandse visserij. De eerste generatie was nog uitgerust voor de visserij op verse haring en vis. In 1965 kwam de eerste hektrawler met een vriesinstallatie in de vaart.

De haringworm, die begin jaren ‘60 werd aangetroffen in haring, gooide roet in het eten voor de aanvoer van verse (maatjes)haring. Haring moest zwaar gezouten aan wal worden gebracht. Maar dit betekende dat deze haring niet meer als maatjesharing kon worden aangemerkt. Het vriesprocedé maakte de haringworm onschadelijk. Steeds meer bestaande trawlers werden voorzien van een vriesinstallatie. Hierdoor konden de schepen ook verder weg gelegen visgronden bevissen en langer op zee blijven.

De introductie van het pelagische net in de Nederlandse visserij in 1966 was voor de hektrawler als type schip een ontwikkeling van jewelste. Vanaf nu kon de hele waterkolom worden bevist. Dit vereiste echter meer vermogen van de trawlers om het zware pelagische net voort te kunnen trekken. De trawlers werden dan ook steeds groter en met zwaardere motoren uitgerust. Ook werden nieuwe visgronden ontsloten. Met behulp van financiële ondersteuning van de overheid werden experimentele visreizen gemaakt naar verafgelegen visgronden voor de Afrikaanse kust tot de Verenigde Staten aan toe. Het aantal hektrawlers was destijds veel groter dan nu. Tientallen schepen kon men aantreffen in Scheveningen en IJmuiden. Ook Vlaardingen was de thuishaven van een aantal hektrawlers. Vergane glorie inmiddels. Ook het aantal rederijen dat dergelijk schepen exploiteerde was legio. Vissersplaatsen als Scheveningen, IJmuiden en Katwijk zijn ermee groot geworden. Deze laatste vissersplaats had zelf geen haven, maar wel een grote vissersvloot, naast een bloeiende visverwerkende industrie. Anno 2018 bestaat de vloot vriestrawlers onder Nederlandse vlag nog uit acht schepen, geëxploiteerd door vier rederijen. Die exploiteren echter ook een flink aantal trawlers onder buitenlandse vlag. Bovendien heeft een aantal geïnvesteerd in de pulskor-, twinrig-, flyshoot- en garnalenvisserij.

Afrika en Japan
De verse vis wordt wekelijks aan land gebracht. De vriestrawlers opereren nagenoeg op alle wereldzeeën. De schepen en hun bemanningen zijn soms weken van huis. Met een lengte van circa 100 tot 145 meter zijn het grote en efficiënte vissersschepen. Op de grootste trawlers vinden tot 65 mensen emplooi. De gevangen vis wordt in Nederland aan wal gebracht, maar ook in het buitenland, bijvoorbeeld in Mauritanië, waar grote vrieshuizen met Nederlands kapitaal zijn verrezen. De door de Nederlandse vriestrawlers gevangen vis vindt gretig aftrek in Afrikaanse landen, maar ook in Japan.

 

Reacties

Om te reageren op dit bericht moet u ingelogd zijn. Klik hier om in te loggen. Indien u nog geen account heeft kunt u zich hier registreren om te kunnen reageren op Schuttevaer.nl. Uw reacties worden altijd ondertekend met uw volledige persoonsnaam.

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.

Lees ook