Schuttevaer

Zoet, Zout & Zakelijk
Schuttevaer Premium

Hoe De Hoop verdween van de Noordzee

DEVENTER

Voor veel zeelieden maar vooral visserslui was het hospitaal-kerkschip De Hoop een begrip. Een baken op zee, waarop men kon terugvallen als er medische en technische hulp nodig was en voor de zondagse kerkdienst. Ook de roepnaam was alom bekend, ‘PHKS', Praai Hospitaal KerkSchip. In 1988 verdween het laatste hospitaal-kerkschip uit Nederland, amaar nu is ze terug.

1 / 5
Het eerste hospitaal-kerkschip was een beukenhouten tweemastschoener, die begin 1899 voor 5000 gulden werd overgenomen van schipper Kuypers uit IJmuiden.

Het eerste hospitaal-kerkschip was een beukenhouten tweemastschoener, die begin 1899 voor 5000 gulden werd overgenomen van schipper Kuypers uit IJmuiden.

Tekst en foto's Willem H. Moojen

Het initiatief om een hospitaal-kerkschip in de vaart te brengen kwam van de Schotse dominee J. Chambers, predikant in de Engelse kerk te Amsterdam. Het was een idee naar Engels voorbeeld. Daar voer de Royal National Mission to Deep Sea Fishermen (‘Deep Sea Missions') al geruime tijd met een paar schepen op zee. In 1897 stelde hij voor een vereniging op te richten om een hospitaal-kerkschip uit te rusten en naar de visgronden op de Noordzee te zenden. Het plan werd onmiddellijk ondersteund door onder anderen Petrus Emelius Tegelberg (directeur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland), mr. Eduard Nicolaas Rahusen (advocaat, Eerste Kamerlid), W. Boissevain, Balthasar Heldring (president Nederlandsche Handel-Maatschappij), W.C. Robinson (Engelse consul) en C.J. Corey (Amerikaanse consul).

Op 5 mei 1898 werd de ‘Nederlandsche Vereeniging ten behoeve van zeelieden van elke nationaliteit hospitaalkerkschip De Hoop' opgericht, op 8 augustus 1964 veranderd in alleen ‘Vereniging Hospitaal Kerkschip De Hoop'. De dominee werd zelf secretaris-honorair van de vereniging.

Het geld dat nodig was om de vereniging van de grond te krijgen werd grotendeels bijeengebracht door Nederlandse vrouwen, verspreid over het hele land, gesteund door de toenmalige koningin-moeder Emma. Velen jaren daarna hebben zij zich nog ingezet om de vereniging financieel te steunen. De overheid gaf vanaf 1900 subsidie, maar dan alleen voor de medische kant. Later rustte het voortbestaan van de vereniging niet alleen meer op liefdadigheid. Het ministerie van Landbouw en Visserij stond voor eenderde garant en er kwam financiële steun van veel meer instanties. Het kantoor van de vereniging was tot 1972 gevestigd aan het Damrak 95 en de ligplaats van de schepen was aan De Ruyterkade in Amsterdam. Toen verhuisde de vereniging naar de Vissershavenweg 21 in Scheveningen.

Het doel
Het doel was zeelui (vissers) medische hulp te verlenen als daar een beroep op werd gedaan. Ook werd tegelijkertijd de gelovige vissersman - en wie was dat niet in die jaren - in de gelegenheid gesteld een kerkdienst bij te wonen op het schip of via de radio te beluisteren.

Dit alles in een gebied dat zich aanvankelijk uitstrekte van de vissershavens aan de Engelse en Schotse oostkust ter hoogte van de Doggersbank (Scarborough) tot aan Lerwick op de Shetland-eilanden. Een gebied zo groot als Frankrijk en met een vissersvloot (bommen en loggers) van 800 schepen en 10.000 vissers aan boord. Geregeld kwam het voor dat een keuze moest worden gemaakt welke gewonde of zieke visserman het eerst moest worden geholpen, altijd kwam dit weer tot een goed einde.

Na het verdwijnen van de bommen zien we kotters en trawlers in de visgebieden verschijnen. En toen later de vissersschepen andere visgronden opzochten ging De Hoop mee. Rond Engeland en Ierland, de Hebriden, het Engels Kanaal tot aan de Franse westkust bij Dieppe.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw veranderde de visserij enorm. De schepen werden groter en kregen veel krachtiger motoren, waardoor ze ook veel verder weg gingen vissen. Ook was veel sneller hulp vanaf de wal mogelijk. De Hoop werd zo min of meer overbodig en het hospitaal-kerkschip werd van zee gehaald.

Vooruitgang
Langzamerhand deed ook de techniek zijn intrede op de schepen, zij het nog beperkt. Radiotelefonie werd onmisbaar. De schepen hielden onderling contact over waar werd gevist en hoe de vangsten varen. Maar vooral kon men nu in tijd van nood het hospitaal-kerkschip door de ether oproepen.

Het voordeel van radio aan boord was ook dat de dominee zijn zondagse preek kon uitzenden. Dat gebeurde voor het eerst in 1947.

Maar de boordbezoeken gingen daarmee niet verloren. De dominee bracht er christelijke lectuur en tijdschriften en kwam om uit de bijbel te lezen en een gebed te houden.

Ook de dokter gaf advies via de radio en kon zo beter beoordelen of hij ter plekke moest komen. Mocht het een ernstig ziektegeval betreffen dan kon de patiënt worden opgenomen in het hospitaal van De Hoop.

En zelfs bij averij kon een beroep worden gedaan op De Hoop. Regelmatig werd een schip door De Hoop naar haar thuishaven gesleept.

Maar behalve de komst van de marifoon, veranderde er nauwelijks iets in al die jaren dat er een hospitaal-kerkschip op zee was. De dominee hield zijn diensten en was een steuntje in de rug van de vissers en de dokter was snel ter plekke om mensen te behandelen.

Vier schepen
De eerste De Hoop, een beukenhouten tweemastschoener, werd begin 1899 als logger aangekocht van schipper Kuypers in IJmuiden voor 5000 gulden. De schoener van 126 brt was gebouwd in 1878 en 28 meter lang en 6,25 breed. Ze werd verbouwd op de werf Goedkoop in Amsterdam onder leiding van scheepsbouwmeester Sibbelee. Het schip kwam in mei 1899 gereed en werd 17 juni 1899 in dienst gesteld, waarna het vertrok voor de eerste reis naar Lerwick.

In 1914, het schip was al uit dienst gesteld, werd het voor onbepaalde tijd afgestaan aan de Koninklijke Marine en als logementschip gestationeerd in IJmuiden. In 1918 werd ze voor 7000 gulden verkocht aan de marine, maar niet bekend is voor welk doel het schip is gebruikt. De thuishaven was Amsterdam, maar vanaf 1904 toen Scheveningen een zeehaven kreeg, liep de De Hoop ook daar wel eens binnen.

De tweede De Hoop was een nieuwe tweemast-gaffelschoener. In augustus 1911 werd een contract getekend voor de bouw bij NV Werf Conrad in Haarlem voor een bedrag van 44.990 gulden. De schoener (140 brt) was 33,96 meter lang en 6,51 meter breed. De oplevering was 1 april 1912, waarna het 1 juni van dat jaar aan de eerste reis begon. Het schip, dat was uitgerust met een schoenertuig, had een Kromhout motor van 76 pk.

Duitse bemanning
In 1938 werd De Hoop volledig gerenoveerd, waardoor haar uiterlijk volkomen veranderde. Het werd nu een motorschip met hulpzeil, uitgerust met een viercilinder Kromhout dieselmotor van 195 pk, goed voor negen knopen. Ook de accommodatie werd aangepast. Er zat dertien man aan boord. Het hospitaal telde acht kooien, twee boven elkaar, en bezat een apotheek en een isolatiehut. Na de verbouwing was er ruimte voor 22 patiënten en bestond de bemanning uit zestien koppen.

Op 6 augustus 1940 werd het schip bezocht door de Duitsers voor een eventuele vordering, wat uiteindelijk uitmondde in een beslagname op 3 januari 1941. Op 31 oktober 1944 voer het schip onder Duits commando de haven van Wolphaartsdijk binnen in de veronderstelling dat de geallieerden er nog niet waren. Een misrekening, de bevolking enterde het schip en nam de bemanning gevangen. Het was het hoogtepunt van het bevrijdingsfeest in het dorp.

Op 31 oktober 1945 vertrok De Hoop weer voor het eerst naar de visgronden. Er volgden nog enkele jaren tussen de vissers op zee, maar uiteindelijk werd besloten het oude schip te vervangen door nieuwbouw. Op 23 december 1954 voer het voor het laatst IJmuiden binnen. In 42 jaar trouwe dienst werden 12.023 patiënten behandeld. Op 22 september 1955 werd het schip verkocht voor 40.000 gulden aan Rasmus Rasmussen in Vedavaagen in Noorwegen. Kapitein W. de Vreugd, die 22 jaar op de De Hoop voer, bracht zijn oude schip naar Haugesund, waar de nieuwe eigenaar haar liet ombouwen tot haringvisser.

Kerkorgel
De derde De Hoop werd gebouwd bij NV Zaanlandsche Scheepsbouw Maatschappij in Zaandam. De kiel werd gelegd op 22 december 1954, waarna het schip op 7 mei 1955 te water werd gelaten. Op 8 juli 1955 werd het schip 44,04 meter lange en 8,42 meter brede schip in dienst genomen door HM koningin Juliana die vanaf IJmuiden meevoer naar Scheveningen. In de machinekamer stond een zescilinder Brons dieselmotor van 398 pk. Aan boord was accommodatie voor twintig bemanningsleden. Er waren een hospitaal, twee isolatiehutten, een volledig uitgeruste apotheek en er was ruimte voor twaalf patiënten verdeeld over vijf hutten. Verder had het schip een fraaie kerkzaal en een orgel om de kerkdiensten te begeleiden. In 1957 en 1958 werd De Hoop ingezet om medische en geestelijke bijstand te verlenen tijdens de grote Lofoten kabeljauwvangsten waarbij meer dan 20.000 Noorse vissers betrokken waren.

Vanwege de stormachtige ontwikkeling in de visserij was er al snel behoefte aan een sterker hospitaal-kerkschip. Het schip deed dienst tot 1964, waarna het in mei 1965 voor 330.000 gulden werd verkocht aan het Institut Francais de Petrole in La Rochelle in Frankrijk en werd omgebouwd tot oceanografisch onderzoeksvaartuig en herdoopt in Florence. Vervolgens werd het in 1980 herdoopt in Isabelle II, in 1984 in Princess des Bahamas en datzelfde jaar in Paco Rabanne van Sea Danser Inc. in Philadephia (VS) waar het als passagiersschip dienst deed. In 2006 stond het nog als zodanig geregistreerd, maar het schip is al sinds 2005 in gebruik als discoschip in Rio Ozama in de Dominicaanse Republiek.

23.000 Zeemijl
De laatste De Hoop is een product van NV Scheepsbouwwerf Gebr. Pot in Bolnes. Het 62,46 meter lange en 10,32 meter brede schip van 1105 brt werd 12 december 1963 te water gelaten en kwam 14 april 1964 in dienst. Op 21 april vertrok het voor het eerst naar de visgronden onder commando van kapitein W.F. Rog, die werd opgevolgd door kapitein A. Visser. De laatste kapitein was Maarten Rog. Het schip had 2,6 miljoen gulden gekost. In de machinekamer stond een twaalfcilinder Bolnes van 900 pk en een 200 pk elektromotor, die samen op een schroef gekoppeld kunnen worden. Mocht de hoofdmotor uitvallen, dan kan het schip verder varen op de elektromotor. Samengekoppeld liep het schip twaalf knopen. De bemanning bestond uit 24 koppen, een arts en een predikant. Later werd de bemanning beperkt tot zestien man. Er was een hospitaal met twaalf bedden, maar er was ruimte voor twintig patiënten aan boord. De kerkzaal voor in het schip bood plaats aan 65 personen en de recreatieruimte een dek hoger aan zestig. Het schip had in eerste instantie Amsterdam als ligplaats, maar vanaf november 1965 was haar vaste ligplaats in de Scheurhaven (Europoort). In 1972 werd Scheveningen de thuishaven.

Het einde van het hospitaal-kerkschip op zee was toen eigenlijk al nabij en op 4 november 1988 kwam het schip binnen van haar laatste reis, waarna het op 26 november 1988 werd opgelegd in Scheveningen. De bemanning werd ontslagen. In 25 jaar was gemiddeld 23.000 zeemijl per jaar met het schip afgelegd.

Standby-vessel
In oktober 1989 voer het schip naar Heuvelman in Moerdijk, waarna het op 4 december 1989 werd verkocht aan Suffolk Marine van Charles Lister in Lowestoft. De oversteek van Moerdijk naar Lowestoft werd gemaakt onder de naam Britannia De Hoop. Vervolgens werd het schip in Great Yarmouth omgebouwd tot safety-standby vessel voor de offshore. In april 1990 was de verbouwing gereed en werd het schip herdoopt in Britannia Challenger. De eerste reis begon op 4 mei 1990 en het werd ingezet op de Noordzee. In 1991 werd ze ondergebracht bij Britannia Marine, ook een bedrijf van Charles Lister. In 1994 werd Boston Putford Offshore Safety Ltd. in Lowestoft eigenaar. Na het aflopen van het chartercontract in november 1998 werd het schip in december verkocht aan Viking Supply Ships Rederi A/S in Montrose in Noorwegen en herdoopt in Viking Challenger. In 2003 werd Blue Viking in Aberdeen eigenaar en in 2005 Viking Offshore Services Limited, eveneens in Aberdeen.

Op 14 januari 2008 werd het schip omgevlagd naar Panama en herdoopt in Timor Challenger. Het is nu eigendom van Timor Offshore Management Ltd. in Nicosia op Cyprus. Equasis meldt dat sinds 24 maart 2008 de werkelijke eigenaren Van der Linden en Vinckier in Schiedam zijn.

Radio Rock
In april en mei van dit jaar fungeerde het schip als piratenzender van Radio Rock in de film ‘The boat that rocked' van Richard Curtis. Deze film is gebaseerd op de legendarische zeezender Radio Caroline in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het schip werd aangepast en voorzien van twee nep-zendmasten, waarna het onder de naam Ross Revenge vertrok naar Portland voor de filmopname.

Na de opnamen liep het, ontdaan van de zendmasten, op 9 juni 2008 IJmuiden binnen. Hier werd het schip danig onder handen genomen en werd onder meer het klassieke stuurwiel verwijderd en meer hedendaagse nautische aanpassingen aangebracht. Veel van de techniek aan boord werd gereviseerd of vernieuwd.

Meer dan vier nieuwe bestemmingen voor het schip doen de ronde. Zo zou ze voor Greenpeace gaan varen. Het laatste nieuws is, dat ze waarschijnlijk wordt verbouwd om met vijftig passagiers te gaan varen. De nieuwe eigenaar heeft ons in elk geval verzekerd dat het schip haar oude naam De Hoop terugkrijgt.

Bronnen:
A.A. Poldervaart; Die hoop moet al ons leed verzachten. HKS ‘De Hoop', 1898-1938: de eerste veertig jaar.
Hospitaalkerkschip De Hoop, 1898-1948, gedenkschrift.
Met dank aan: Jan P. van de Voort; Visserijmuseum Vlaardingen.
Maarten Rog; Laatste gezagvoerder ‘De Hoop'.
Jan Warnaar; Laatste hwtk ‘De Hoop'.

Reacties (2)

Om te reageren op dit bericht moet u ingelogd zijn. Klik hier om in te loggen. Indien u nog geen account heeft kunt u zich hier registreren om te kunnen reageren op Schuttevaer.nl. Uw reacties worden altijd ondertekend met uw volledige persoonsnaam.

  • peter

    Op de volgende site heb ik een aantal oude foto s van de Hoop uit 1925 zien staan!
    http://www.motioneering.nl/zeylstra-archief/voor-1945/index.html

  • gijs van der wiel

    prachtig verslag van een bijzonder schip en een hele mooie dienstverlening.

Lees ook